CARAVANNEN IN FRANKRIJK
Op die voor ons zo plezierige camping in de Vogezen komt
ieder ochtend, behalve de zondagochtend, een zeer energieke, een wat fors
uitgevallen en zeer welbespraakte bakkersvrouw met haar autootje prompt om
kwart voor negen aanrijden. Met een ouderwetse handtoeter toetert ze dan de campinggasten
uit hun warme bedjes om aan te geven dat ze er weer is met haar croissants,
croissants chocolats, flûtes, baguettes, pains, petits pains, pains bruns, ceriales,
boucherons. Veel keus, want haar man is een ‘boulanger artisan’ in
Moriville. Moriville is een buitengewoon klein en zeer onaantrekkelijk dorpje
(twintig huizen, een grote kerk, een (bijna) altijd gesloten ‘mairie’, een
kaaswinkel die maar tweemaal per week een paar uur open is en een paar
boerderijen) in de buurt van onze camping. En natuurlijk is er die boulangerie
van onze bakkersvrouw, tevens een soort van kruidenierszaakje, ofwel een
winkeltje waar de dorpsbewoners en een enkele campinggast die zaken koopt die
hij vergeten is mee te nemen uit de grote supermarkten in de verderop gelegen
grotere plaatsen. Geen wereldzaak dus. De verkoopruimte heeft de afmetingen van
een wat groot uitgevallen woonkamer. Als er drie klanten in de winkel staan is
het er tjokvol. De keuze aan artikelen is er zeer, zeer beperkt, eieren van de
eigen kippen, wat kaas, worsten, wat fruit en groente ongetwijfeld uit eigen tuin, snoep, potjes confituren, flessen
propaan en brood natuurlijk. Toch, maar toch, een zeker gevoel van nostalgie
maakt zich van mijn vrouw en mij meester als we hier binnenlopen in een poging
de middenstand van Moriville een oppepper te geven. Bovendien vinden we de
bakkersvrouw een sympathiek mens die zo te zien met beperkte middelen en onder
zeer beperkende omstandigheden er het allerbeste van probeert te maken. Ook
doet die kleinschaligheid ons denken aan onze jeugd, die nu helaas alweer zover
achter ons ligt. En u weet, vroeger was alles beter!
Toen we bakkersvrouw Anne-Marie wat beter leerde kennen en ze er zelfs zo nu en dan aan dacht wat langzamer tegen ons te praten zodat we haar gewoonlijk zo radde Frans wat beter konden volgen, vertelde ze ons dat ze heel trots was op haar nieuwe bestelauto, uiteraard een Peugeot, aangeschaft met behulp van de door de Franse staat verleende subsidie. En ze vertelde ons van het leeglopende dorp. Jonge mensen trekken weg naar de grote steden. De traditionele industrieën in deze streek, onder andere glasblazerijen, zijn bijna allemaal ter ziele en dat is te zien aan het verval van de kleine dorpen hier in de omgeving. Voor de oudere bewoners van deze streek moet het vaak zwaar zijn; vereenzaming, verlies van openbare voorzieningen en kleine winkels. Ze moeten zich maar zien te redden.
Een van deze oudere mensen was volgens Anne-Marie ‘grand’mere Therèse’. Ze was in de tachtig. Alleen achtergebleven in Moriville. Geen kinderen, geen kleinkinderen, een onzichtbare oudere zuster in Parijs. Een zeer klein pensioen, want de al vele jaren geleden overleden echtgenoot had zich nooit om een oudedagsvoorziening bekommerd (want veel zwart gewerkt) en dus had ze alleen maar haar huisje ergens aan de rand van het dorp en bijna geen inkomen. En ook geen auto en al was ze in het bezit geweest van een dergelijk vervoermiddel, dan had ze er nog niets aan gehad, want natuurlijk had ze geen rijbewijs. Dus inkopen doen in een goedkope supermarkt was er niet bij, ze was aangewezen op de ‘alimentation’, het winkeltje van onze bakkersvrouw Anne-Marie. En Anne-Marie vertelde ons het volgende;
‘Al jaren kwam grand’mere
Therèse een of twee keer per week in mijn winkel. Scharrelde kromgebogen wat
rond en iedereen kon zien dat ze het een en ander tersluiks in de zakken van
haar oude lange jas liet glijden. Aangekomen bij de kassa rekende ze dan een
tomaatje, een eitje af en verliet moeizaam schuifelend de winkel terwijl ik en de
andere klanten wisten wat ze gedaan had. Maar als grand’mere Therèse weer
vertrokken was rekende ik een paar volgende klanten een paar centen meer totdat
ik de kosten van de meegenomen spullen van grand’mere Therèse had verrekend,
nou ja, niet alles, maar bijna alles. En het bleef altijd zeer binnen de
perken. Iedereen in Moriville wist het en accepteerde het zonder al te veel commentaar.
Grand’mere Therèse bleef een gerespecteerd medebewoonster van ons dorp. Ach,
nog een paar jaar dacht ik, het is zo’n lief mens en ze stond vroeger voor
iedereen klaar. Maar nou heeft een paar maanden geleden onze burgemeester met
haar gesproken en gezegd dat het zo niet verder met haar kon, dat ze vervuilde
en dat ze zo maar dagen ziek in huis kon liggen zonder verzorging en dat ze op
kosten van de staat naar een verzorgingshuis in de grote stad kon, nou ja, moest.
Dat zou pas een echte ramp voor haar zijn vertelde ze me toen. Maar voordat het
zover was overleed ze plotseling, we vinden het allemaal erg verdrietig.”
Waarom ontroerde dat verhaal ons nou zo. Medelijden met oude
mensen die door veranderende omstandigheden worden overrompeld? Die
vanzelfsprekende ondersteuning van grand’mere Therèse door haar dorpsgenoten? Zoiets.
Maar we blijven brood en andere zaken kopen in de miniwinkel
van die rondtoerende bakkersvrouw, ondanks het feit dat ze veel duurder is dan
die gigantische onoverzichtelijke onpersoonlijke Franse supermarkten als
Leclerque en Carrevour.
Ach, caravannen in Frankrijk, je leert er zoveel van.
Marius.